De roman Weekendpelgrimage van de Curaçaoënaar Tip Marugg (1923-2006) verscheen in 1958 en gaat over een man die op Curaçao leeft. In het relaas duidt hij het constant aan met ‘het eiland’. De identiteit van het personage blijft voor een groot deel in nevelen gehuld. Het gaat om een blanke man van wie de voorouders kennelijk Europeanen waren, maar hijzelf laat dat niet expliciet blijken. Hij werkt als journalist, is onvriendelijk tegen andere mensen. We weten niet hoe oud hij is, hij is bijgelovig en stereotypeert andere mensen op basis van hun huidskleur. Hij houdt niet van moeilijkheden en is bang voor gevaar. Hij streeft zowel naar reuring als naar rust – existentie.
Een onbetrouwbare verteller, omdat hij gedurende het hele verhaal dronken is. Het hele boek gaat eigenlijk over één zaterdagavond waarin het reilen en zeilen van de man wordt ontvouwen. Het begint vanaf het moment dat de man om drie uur ’s ochtends in zijn auto in een kuil aan de rand van de weg belandt. Opeens krijgt hij een sartreaanse ingeving om na te denken wat hij met zijn leven zou willen doen. Gedachtenvlagen overmannen hem. Hij denkt dat er maar drie mogelijkheden zijn: naar huis gaan en op Curaçao blijven, naar de noordkust verhuizen, verkassen naar Canada en last but not least, zelfmoord plegen. Maar voordat hij tot een definitieve beslissing komt, gaat hij alle kroegen langs die hij aanduidt met ‘dranktenten’ en bezat zich er met whisky-soda.
Het 23 hoofdstukken tellende boek is een psychologische roman die tot het ‘tropisch existentialisme’ gerekend zou kunnen worden. De gebeurtenissen volgen elkaar niet chronologisch op en het verhaal wordt steeds door flashbacks onderbroken. De stijl van Tip Marugg is somber, dampend van alcohol, ondergangsvisioenen en zelfmoordplannen. Het naar eigen zeggen autobiografische boek is gelardeerd met binaire opposities: leven en dood, blank en zwart en werkelijkheid en droom.
De hoofdpersoon is verwikkeld in een haat-liefdeverhouding met zijn geboorte-eiland Curaçao. Hij is een buitenstaander, een blanke op een ‘neger-eiland’, die als protestantse jongen op een katholieke school heeft gezeten. Marugg schetst het ongemak en doet pogingen om daar tegen het decor van de sociale werkelijkheid een verklaring voor te geven. Sociale struikelblokken fungeren als middel om aan zijn vervreemding gestalte te geven, als het ware te ‘verklaren’.
Kortom, er wordt een individu beschreven dat lijdt aan het leven.
De personages zijn kleurrijk en emotioneel, geworteld in een verschroeiend klimaat en gesitueerd in een voornamelijk geïsoleerde multiraciale samenleving. Als spiegelbeeld fungeert het Curaçaose landschap, bestaande uit harde rotsen, een verschroeiende ‘cactus zon’, wind en koraal.
In tal van opzichten is het eiland echter overwoekerd door oppervlakkigheid en kunstmatigheid. Het maatschappelijke leven op het eiland is banaal, saai, vals, corrupt, vol hypocrisie en bloedeloze compromissen, kortom: onherroepelijk bezoedeld. Verminkte zuiverheid of authenticiteit. De overigens maar al te realistisch beschreven ontwikkelingen zijn een metafoor van de verloren onschuld. Vandaar de handige constructie: aan de ene kant is er de alledaagse, amorfe vloed van de geleefde werkelijkheid, aan de andere kant maken de menselijke rede en de verhandeling er weer een samenhangend geheel van. De dialoog wordt gemarkeerd door een soort flikkeren van de lichten. Het is donker, de held worstelt om zich uit te drukken.
Eenzaamheid is hier een zegen en een vloek. In het rijk van de door de drank aangewakkerde verbeelding valt bij vlagen een glimp op te vangen van de verlangde zuiverheid die onderweg in het leven verloren is geraakt. Zo biedt de afzondering niet alleen ontsnapping aan het bezoedelde bestaan maar ook uitzicht op de gedroomde deelname, van verbondenheid, in een ongeschonden versie. De alcohol is een middel om zichzelf te herscheppen, een voertuig naar momenten van gedroomde verbinding; voor even ontlast de drank het bezwaarde geweten. Onder invloed hervindt de schrijver ook de onschuldige blik, het verwonderde kijken. De wereldse activiteit komt goeddeels tot rust, de wereldse activiteit, waarvan het echec in het daglicht meedogenloos zichtbaar wordt.
Door zijn verlangen naar het zuivere en pure in de mens en de menselijke verhoudingen heeft Maruggs hoofdpersoon zich in een tamelijk onmogelijke positie geplaatst. Op verschillende plaatsen is er aandacht voor puberale erotische schermutselingen, fantasieën en seksuele initiatie. Steeds zijn het belevenissen die gekenmerkt worden door een mengeling van angst, schaamte, opwinding, genot en uiteindelijk teleurgestelde verwachting. De werkelijkheid schiet tekort. In de zeldzame erotische ervaringen die hij later heeft, wordt dit steeds weer bevestigd, ze ontaarden in banaliteit of worden ongewild bedorven door raciale animositeit. Het zijn min of meer traumatische ervaringen. De seksualiteit in het werk van Marugg is een metafoor van de eenzaamheid en onmacht van de hoofdpersoon. Bindingsangst bepaalt zijn liefdesaffaires gedurende zijn adolescentie.
In de nacht heerst de stilte die de hoofdpersoon doet mijmeren en hem in staat stelt op reis te gaan in zijn herinnering. In de stilte van de nacht en onder invloed kunnen droom en werkelijkheid tijdelijk versmelten. Gedurende het hele verhaal komen er flashbacks voor, hij denkt aan zijn kinderjaren en vertelt verhalen over zijn vrienden. Bij elk personage geeft hij aan welke huidskleur hij of zij heeft. Meestal mijmert hij echter over zijn eigen leven; hoe eenzaam hij is, hoe vreselijk het op het eiland is, wat voor een stomme baan hij heeft, hoeveel hij moet drinken omdat hij geen andere oplossing kan vinden, enzovoorts. Elke zaterdagavond droomt hij over zelfmoord en als hij de droom beschrijft, gaat hij erop in tot de allerkleinste details – alsof hij het echt uitvoerde. Hij droomt ervan om met zijn auto het water in te rijden.
Het personage beseft goed dat de onrust van de geest goed voor zijn ontwikkeling is, hij droomt van rust in de onrust en van een dichte volheid die toch plaats biedt aan het bewustzijn. De vrouw is de belichaming van die droom, zij is de begeerde vorm tussen de natuur, die de mens vreemd is, en de gelijke, die hem al te identiek is. Zij confronteert het hoofdpersonage niet met het vijandige zwijgen van de natuur en al evenmin met de zware eis van het elkaar wederkerig erkennen; zij is door een uniek privilege een bewustzijn en toch schijnt het ook mogelijk haar in haar vlees te bezitten.
De man lijdt aan een identiteitscrisis die lijkt te zijn veroorzaakt door het feit dat hij tussen twee culturen geboren is, hij weet niet waar hij thuishoort. Voortdurend wordt aangeduid dat zwarte mensen of kleurlingen anders dan de blanken zijn. Hij zegt bijvoorbeeld dat hij nog nooit een kleurling heeft ontmoet die zacht kon spreken of dat het altijd moeilijk is om te raden hoe oud een kleurling is. Hij denkt dat alle zwarte mensen (hij noemt hen allemaal ‘negers’) hetzelfde zijn: dom en simpel. Ook al gelooft hij dat ze veel van de oude wereld weten, ze zijn toch allemaal primitief, volgens hem zou het een ramp zijn als ze onderwijs zouden krijgen. Te laat komen zou een typisch tropisch verschijnsel zijn, enzovoorts. Hij stereotypeert bijna iedereen. Over Amerikanen zegt hij dat ze altijd een mop over auto’s begrijpen. Maar de belangrijkste maatstaf om mensen te categoriseren blijft voor hem de huidskleur. In dit geval kan er wel van racisme sprake zijn, maar het zwarte ‘object’ is niet zo belangrijk in deze roman. Wat hier centraal staat, is de positie van de blanke man in de Curaçaose maatschappij, die uit personen van gemengde afkomst bestaat. Het blanke subject is daar dominant en kan alles hebben wat hij wil, maar toch is hij ongelukkig en voelt dat hij er niet thuishoort.
Uiteindelijk vertrekt hij niet naar Canada, ook pleegt hij geen zelfmoord. Hij kiest voor de derde mogelijkheid: blijven leven op het eiland. Hij spreekt over een indjuboom, die iedere eilandbewoner kent en een onzichtbare macht heeft en denkt na wat hij aan de boom moet vragen of vertellen. Hij zegt dat iedereen een gebed, een herinnering of een liefde in zichzelf heeft en dat dat voor hem het eiland is. Daarom kiest hij uiteindelijk voor het leven daar. Hij heeft ook geen ander thuis en op een of andere onverklaarbare manier houdt hij van Curaçao.
De roman eindigt met de woorden: ‘Dit is mijn stad. Dit is mijn eiland.’ Een psychologisch bijzonder verfijnde roman, die bovedien een esthetisch mysticisme openbaart. Diep gevoelde belijdenislyriek.