Essay

De bril van Biesheuvel

Het verhaal ‘Storm op zee’ in de bundel In de bovenkooi (1972) van J.M.A. Biesheuvel (1939-2020) opent met een opvallend lang citaat. De passage, die in tweehonderd woorden het begin van een zeestorm beschrijft, staat er nogal plompverloren, zonder aankondiging of toelichting anders dan de vermelding van de naam van de oorspronkelijke auteur, W.S. Heckscher.…

Proza

Door de fontein

Mijn man kijkt uit het raam van het vliegtuig en doet of we geen stel zijn. Hij durft. We dragen dezelfde horloges, een grote voor hem, een kleine voor mij. We hebben ons voor de planeet laten tatoeëren met 0,9, de verwachte stijging van de zeespiegel aan het eind van de eeuw. De tatoeage op…

  • Oktober-nummer

    Het oktober-nummer van ons blad bevat korte verhalen van Heleen Eggelte, Christiaan Ronda, Thomas Heerma van Voss, Frouke Arns en Stephan ter Borg. Poëzie is er van Yasmin Namavar, Willem Thies, Gerry van der Linden, Sjef Welling en Patrizia Vespa. Margriet de Koning Gans, Bram de Klerck en Joep Huiskamp schreven essays.

    Met sfeervolle tekeningen van Tinka Stavenuiter!

redactioneel

Deze maand

U heeft het wellicht gemist, maar vóór de zomer publiceerde Manon Uphoff op Facebook en vlug daarna op Tzum kritiek op het stuk van Margriet de Koning Gans over Oroppa (#4, 2026) waarin Uphoff haar van oriëntialisme beticht. Ze vond Margriet ‘een gans’, wat ze na mijn reactie ‘flauw’ noemde, maar het gaat met alle…

Uit het archief

Essay

Enkele opmerkingen over Wittgenstein

In september 1912 reist een drieëntwintigjarige Ludwig Wittgenstein als de keizer van China, met David Hume Pinsent en een scheve blikken trekkend gevolg, door IJsland. Wie de dagboeken van Pinsent en de brieven van Wittgenstein leest, ziet twee mannen die beiden niet lijken te beseffen wat ze voor elkaar voelen. Of, wellicht, die dat wel…

Poëzie

Gedichten

op een dag valt een lach mijn gezicht aan met de zekerheid van een intentieverklaring het is dezelfde dag waarop iedereen tegelijk…

Proza

Prooi en roofdier

Voorzichtig duwde ik tegen de kamerdeur. Misschien sliep Rolf. Ook geen feest, dat ronkende lijf op een paar meter afstand, maar beter dan de holenman wakker maken. Hij zou doorgaan waar hij was gebleven, met dat ongearticuleerde gesputter van hem over dat ik niet te zeggen had wat hij moest doen, dat ik niet in…